CongresPodiumkunsten.nl

Verslag Eén coördinator voor de podiumkunsten?

De deelnemers aan de discussie over deze vraag – Lennart van der Meulen (directeur VPRO), Jan Zoet (Rotterdamse Schouwburg), Evert de Jager (Nationale Toneel) en Henk Scholten (Theater Instituut Nederland) en Margreet Teunissen (Internationaal Danstheater) –  spiegelden de situatie bij de podiumkunsten aan die bij de publieke omroep. Daar zijn sinds enige jaren netcoördinatoren aan het werk. De vraag is of een dergelijke opzet ook denkbaar is voor het Nederlands theater.
De publieke omroep is overgegaan op netcoördinatie onder druk van de commerciële omroep. Dat levert een parallel op met de situatie waarin het gesubsidieerde theater verkeert. Dat trekt immers in vergelijking met het populaire commerciële theater aantoonbaar minder publiek. Bovendien is het publiek voor deze vorm van theater te klein.
Dat meer coördinatie dus gewenst is, is duidelijk. Het grote probleem ligt er echter in dat gezelschappen en podia steeds uitgaan van hun eigen autonomie. Daar ligt volgens Jan Zoet hét dilemma. ‘Ik bepaal wat ik wil programmeren. Maar ik ben wel afhankelijk van een klein aanbod. En ik bepaal niet wat gezelschappen willen spelen. Daarover zou ik graag meepraten. Er zou een werkelijke dialoog moeten zijn tussen gezelschappen en podia.’
Henk Scholten memoreert fijntjes dat het probleem ligt in die autonomie: ‘Iedere programmeur vindt zijn eigen programma uniek, maar feit is dat 90% van de programma’s op elkaar lijken.’ 
Volgens Lennart van der Meulen kun je pas gaan praten over één coördinator of ‘netregisseur’ wanneer je gemeenschappelijke doelstellingen hebt. Daarna moeten de betrokken partijen het aandurven om bij zo’n coördinator werkelijk bevoegdheden neer te leggen. ‘Realiseer je goed wat je doet: je krijgt een programmeur óver gezelschappen en theaters heen. Voor je het weet tuig je een publieke theaterorganisatie op!’, aldus Van der Meulen.
Volgens Evert de Jager is het in ieder geval nodig om de subsidiegever bij zo’n plan te betrekken, al is het alleen maar om een coördinator het nodige gezag te geven.

Uiteraard ligt er ook nog de vraag wat er van de kant van de producenten verwacht kan worden. Ook daar speelt tenslotte het probleem van de autonomie. Volgens Jan Zoet moet er in ieder geval verschil zijn in het aanbod. ‘Theater is per definitie regionaal. Amsterdam zou dus iets anders moeten bieden dan Rotterdam. Misschien moeten dus ook wel het  productiesysteem veranderen. Verder moeten stukken de kans krijgen om langer te spelen.
Volgens Van der Meulen ontkom je niet aan een verplichting tot schiften en aan concurrentie op kwaliteit. ‘De situatie is te vergelijk met de productiewijze bij de Nederlandse film. Daar wordt ook geselecteerd op kwaliteit. Dus: coördineer samen het aanbod en organiseer dat op een andere manier. Schift op kwaliteit en ga daarna op zoek naar een groter publiek.’

Zoet ziet wel mogelijkheden. ‘We hebben het over gemiddeld 20 titels en 20 à 30 podia – dat is overzichtelijk. We zouden het niet moeten hebben over verplichting, maar over een wederzijdse commitment. Natuurlijk zouden, als eerste stap, de acht gezelschappen uit de basisinfrastructuur bij elkaar kunnen gaan zitten. Maar ik geloof eerder in klein beginnen, met drie of vier partners. Als dat slaagt, heeft dat wellicht een sneeuwbaleffect. Maar zonder steun van de Raad voor Cultuur lukt het niet.’

[Pieter de Nijs]